De magische solo van John Coltrane op 'Someday My Prince Will Come'

De solo van John Coltrane op Someday My Prince Will Come, het gelijknamige album van Miles Davis, is één van mijn favoriete solo’s aller tijden. Naast de fenomenale muzikale ingrediënten zit er aan deze solo een opmerkelijk verhaal vast.

Miles na ‘Kind of Blue’

We schrijven New York, maart 1961. Miles Davis maakt de balans op. Hij is opnieuw zijn richting aan het bepalen. Kind of Blue was een mijlpaal geweest, de afsluiting van een ongekend vruchtbare en creatieve periode, waarin hij zich tot visionair en onnavolgbaar bandleider had ontpopt. Kind of Blue was bovendien veel meer dan een artistiek succes, het was ook één van de best verkopende albums uit de jazzgeschiedenis. Miles was een grote naam geworden, een ster.

Maar hij had daarna niet afgewacht. Het vervolg Sketches of Spain was wederom een gewaagde en succesvolle stap geweest. De opnames waren alweer een jaar geleden gemaakt en nu, in het voorjaar van 1961 lag zijn focus weer bij zijn working band. Miles staat op het punt een nieuw album op te nemen. Wat komt er in hemelsnaam na Kind of Blue, de timeless classic? De lat ligt extreem hoog.

Het gonsde in New York. De jazzscene was veranderd met de opkomst van Ornette Coleman en zijn vrijere jazzvormen. Wat was er precies veranderd, waar zou het toe leiden?

Voor Miles is het tijd om zijn muziek weer een nieuwe richting te geven. Maar welke? En met wie?

Zijn beroemde eerste kwintet was niet meer. Bassist Paul Chambers was gebleven, maar Bill Evans en Philly Joe Jones hadden plaatsgemaakt voor nieuw bloed: Wynton Kelly en Jimmy Cobb. Een fabelachtige ritmesectie, die al snel goed op elkaar ingespeeld was.

Miles zelf was in betere conditie dan ooit. Dat was het probleem niet. Nee, Miles had andere zorgen.

De ontwikkeling van Coltrane

Vóór zijn periode bij Miles was John Coltrane een wat schuchter en rafelig talent dat worstelde met zichzelf. Tussen Miles: the new Miles Davis Quintet (1956) en Kind of Blue (1959) had de saxofonist een metamorfose ondergaan. Onder de vleugels van Miles — en niet te vergeten Thelonious Monk — was de diamond in the rough geweldig tot bloei gekomen.

Maar nu was het tijd voor Trane om voor zichzelf te beginnen. Miles had hem wel overgehaald, in maart en april 1960, om nog één keer mee te gaan voor een serie concerten in Europa (zie onder andere Live in Stockholm), de tournee waarin hij van Miles een sopraansax kado kreeg.

Aan het eind van de tour had Coltrane keurig zijn ontslag ingediend en was verder gegaan onder eigen naam, met zijn eigen kwartet. Coltrane was een grote naam geworden, hij was nu the man.

Voor Miles leek het vervangen van Trane een onmogelijke opdracht.

Andere tenoristen

In de beginperiode met Coltrane maakte Miles er geen geheim van dat Sonny Rollins zijn favoriete tenorsaxofonist was.

Maar het is in 1960 en Rollins heeft zich nog steeds teruggetrokken uit de scene. Dat is geen optie dus. Rollins zou overigens in 1962 terugkeren.

Ook de naam van Wayne Shorter is dan al gevallen, maar hij is net ingelijfd bij The Jazz Messengers van Art Blakey. Het beslissende telefoontje met Wayne zou pas in 1964 komen.

Lees ook mijn uitgebreide artikel over Hoe het Miles Davis Quintet geschiedenis schreef in Live the Plugged Nickel en de opmerkelijke rol van Wayne Shorter daarin.

Artikelen op mijn website lees je gratis. Als je wilt, kun je onderaan het artikel een kleine bijdrage doen, zodat ik dit soort artikelen kan blijven schrijven.

Als opvolger beveelt Coltrane zijn maatje Jimmy Heath aan bij Miles. De hippe Heath lijkt zeer geschikt voor de job, is net terug uit de gevangenis en kan wel wat werk gebruiken. Het was de vraag of Heath mee zou kunnen met het nieuwe ‘modale’ karakter van Miles’ muziek. Veel kans om samen te werken krijgen ze echter niet, want Heath’s parole officer verbiedt hem om buiten een straal van 60 mijl buiten Philadelphia te blijven.

Dus kiest Miles voor bebopvirtuoos Sonny Stitt, die één Europese tournee meespeelt en blijft tot begin 1961.

Mobley

De vaste man wordt uiteindelijk Hank Mobley, de swingende ex-Messenger, de zachtaardige hardbopper die net een sterke serie solo-albums heeft uitgebracht bij Blue Note.

In de liner notes van Mobley’s album Workout dat in dezelfde periode (op 26 maart 1961) werd opgenomen, noemde jazzjournalist Leonard Feather hem ‘the middleweight champion of the tenor saxophone’ — niet kwaad bedoeld natuurlijk, maar velen leggen dit uit alsof Mobley tekort zou schieten in de competitie met andere tenorreuzen uit die tijd zoals Rollins, Coltrane en Getz.

Mobley zou later dat jaar bij Miles ook nog schitteren op het album Miles in Person: Friday and Saturday Nights at the Blackhawk.

In de taxi naar de studio

Op 7 maart 1961, tijdens de eerste opnamesessie voor het album Someday my Prince Will Come, worden twee stukken opgenomen. De ballad Drad-Dog (Goddard andersom gespeld, een knipoog naar CBS baas Goddard Lieberson). Pfrancing verwijst naar Frances Taylor, de vrouw van Miles die ook op de cover prijkt.

Een fantastische sessie van het hele kwintet en Mobley speelt zijn solo’s rond, romantisch en gestileerd als altijd.

Nu komt het. Voor de tweede opnamesessie heeft Miles een verrassing in petto. Op deze dag speelt Coltrane met zijn kwartet ook in New York, in het Apollo Theatre. Miles heeft hem gevraagd langs te komen in de studio, als hij tijd heeft. Maar Miles’ begeleiders weten hier niets van.

En zo geschiedde. Op maandag 20 maart 1961, tussen twee sets in de Apollo door, pakt Coltrane een taxi en is onderweg van Harlem, downtown naar de studio The Church aan de 30th Street. Zelf vertelt hij erover: “I sneaked down one afternoon and made it“.

De solo van Coltrane

Drummer Jimmy Cobb weet het nog als de dag van gisteren.

After Hank played his solo on ‘Someday My Prince Will Come’, we looked through the glass of the engineer’s booth and there was Trane. In the middle of the song, Miles waved for him to come into the studio. So Trane took out his horn and played the part he played, the second solo.” – Jimmy Cobb

Terwijl Mobley snel de akkoorden opschrijft, geeft Miles zijn begeleiders een cue en haalt Coltrane zijn sax uit de koffer. De band speelt nog een keer kort het thema en wat volgt is in mijn ogen één van de meest intense en briljante saxofoonsolo’s aller tijden.

Vurig, helder en fully charged walst Coltrane door het stuk met een overdaad aan ideeën, harmonisch inzicht en energie die tot op dat moment nog niet op de sessie aanwezig waren. Hij tovert de ene na de andere melodische vondst uit zijn hoed.

Het jaar op eigen benen staan heeft hem blijkbaar goed gedaan. Zijn intense, vrijgevochten expressie is virtuoos en rijk, zonder ook maar iets aan richting en kracht in te boeten. Met deze solo verwerft Coltrane een heldenrol die zowel de track als het album legendarisch maken.

Een dag later vraagt Miles aan Mobley om thuis te blijven en Coltrane om opnieuw mee te spelen. Dat resulteerde in de opname van Teo. Ook daarin horen we een vrijgevochten Coltrane tekeer gaan. Magic.

Deze opnamesessie zou de laatste zijn van Miles en Coltrane samen, twee ongekende grootheden.

‘Vreemd gaan’ in de studio

Op deze opname is de spanning goed voelbaar tussen Miles en Coltrane, die zoveel respect voor elkaar hebben. Coltrane die zo loyaal was aan Miles, maar voor zichzelf had gekozen — hij kon niet anders. Miles, die hem dat gunde maar hem ook niet graag zag vertrekken.

Miles, die zelf op zoek was naar zijn nieuwe richting, terwijl zijn protégé zulke grote stappen aan het maken was. Dit was een poging om het heilige vuur van Coltrane erbij te halen. Een geslaagde poging!

En dan de rol van Mobley, die zich zeker gepasseerd moet hebben gevoeld. Al deze ingrediënten dragen bij aan de legende van deze classic.

In zijn autobiografie vertelt Miles: “Playing with Mobley didn’t stimulate my imagination

Een bandleider die even ‘vreemd gaat’ met een andere saxofonist, tijdens de opname nog wel. Een prachtig voorbeeld van hoe Miles iedereen op scherp zette, in dienst van de muziek.

Miles did that to a lot of guys” – Jimmy Cobb.

saxofoon foto (c) tom beek

Hoe het verder ging

Hoe het Coltrane vergaan is weet iedereen. Met zijn intense, spirituele muziek en zijn betoverende, onvermoeibare kwartet veroverde de sax-pionier de wereld. Coltrane werd zelf een icoon, één van de allergrootsten.

In historisch perspectief staat het album Someday My Prince Will Come wellicht in de schaduw van de illustere albums van ervóór en erna. Toch zie ik het als een schitterend en enigszins onderschat album. Bovendien is het een belangrijke schakel tussen twee stijlperioden van de trompettist.

Miles toont zich hiermee niet alleen een visionair, die enkele jaren later met zijn tweede kwintet opnieuw geschiedenis zou schrijven. Maar ook een uitgekiende bandleider, die deze spanningen omzette naar tijdloze muziek.

Met veel dank aan Fred van Doorn, auteur van het boek Lost Heroes, de vergeten helden van de jazz.

Waardeer dit artikel!

Dit artikel las je gratis. Vond je het artikel de moeite waard? Dan kun je jouw waardering laten zien door een kleine bijdrage te doen. Een grotere bijdrage mag natuurlijk ook. Als veel lezers dit doen, kan ik dit soort artikelen blijven schrijven. Dank je wel!

Mijn gekozen waardering € -

Wil je ook per e-mail op de hoogte blijven van nieuwe artikelen en andere leuke nieuwtjes? Meld je hier aan.

6 reacties op “De magische solo van John Coltrane op 'Someday My Prince Will Come'”

  1. goed verhaal tom. kende het in grote lijnen maar de details zijn geweldig. toch… de solo van hank mobley op old folks is in al zijn eenvoud ook een van de statements op die plaat wat mij betreft.

    Beantwoorden
  2. Ha Tom, dit artikel heeft mijn dag weer goed gemaakt! Sweet memories aan de tijd in Berlijn 1963 met mijn trio; ik draaide Someday my Prince will come helemaal grijs! Ik ben ‘m gelijk weer gaan draaien….nog steeds een diamantje in mijn verzameling; bijna vergeten.

    Beantwoorden

Plaats een reactie