Ack van Rooyen: "Tell us a story"

Trompettist Ack van Rooyen is een levende jazzlegende. Honderden redenen om te praten met deze zachte, maar zo vitale 82-jarige oermuzikant, die nog steeds de sterren van hemel speelt.

Samen met de talentvolle jonge fotografe Melanie Caitlin maakten we een wandeling over het Scheveningse strand. Ack vertelde ronduit. Over luisteren, ritme, Amerika, trompettisten, liedjes en natuurlijk over zijn grote liefde: de flugelhorn.

Ack van Rooyen, trompet, flugelhorn
Den Haag, 1930
ackvanrooyen.com

ack van rooyen foto (c) melanie caitlin 11 blog tom beek
foto © Melanie Caitlin

JAZZ

“We waren de eersten met jazzplaten uit de States. Met onze 78-toeren van Stan Kenton waren we de koning.

Op het conservatorium in Den Haag studeerde ik klassiek. Jazz mocht niet door de voordeur. Ik speelde in symfonieorkesten. Geld was er nooit. Jazz was ook hip. It’s hip to be hip. Ik ben nooit in de situatie geweest dat ik alleen van jazz moest leven.

Ik speelde al jong bij The Ramblers. Voor mijn plezier ging ik ’s avonds spelen in de Sherazade in Amsterdam. ‘s Nachts terug met de krantenwagen van de Telegraaf. Voor een gulden mocht je mee. Lekker op die warme kranten.

Ik ben opgegroeid met Rob Madna en Rob Pronk, jongens die veel meebrachten.

Mijn broer Jerry wist alles beter. Hij kon al arrangeren toen ik nog buiten liep te voetballen. Supermuzikaal was-ie. Hij had vioolles, kon piano spelen, het ging ‘m allemaal makkelijk af.”

TROMPETTISTEN

“Ik heb veel geleerd van Art Farmer, van zijn wendingen en melodielijnen.

Begin jaren vijftig was Clifford Brown the man, de rest verbleekte erbij. Het kán ook eigenlijk niet mooier. Geweldig. Hoe clean hij was. Ook als mens.

Toen ik Woody Shaw voor het eerst hoorde, wist ik meteen: dit is iets nieuws. Die had een paar giftige pijlen op zijn boog. Wat daar harmonisch gebeurde.. En met zoveel overtuiging. Ik begreep er niks van, maar mijn oren stonden ineens rechtop.

Kenny Wheeler is ook heel bijzonder. Zeker als je zijn eerste jaren kent, toen hij nog bebop speelde. Ook op de flugelhorn kan hij mooi hoog spelen, hij blijft trefzeker, het stemt goed. De titel van zijn stuk Everybody’s song but my own. Het zegt veel over hem.

Jarmo Hoogendijk vind ik ook heel goed. Hij was een leerling van me. Maar ik denk dat ik meer van hem geleerd heb dan hij van mij.”

ack van rooyen foto (c) melanie caitlin 3 blog tom beek
Foto © Melanie Caitlin

AMERIKA

“De Amerikaanse mentaliteit vind ik wel leuk. De ander ophemelen: “You sounded great!” Dat heb je hier niet zo. Het is zeldzaam dat iemand naar voren stapt om te vertellen hoe goed-ie het vond.

In Amerika is het anders, ze hebben meer roots in de muziek. Ook het publiek. Ze weten er meer van, ze voelen er meer van. Ze zijn er echt mee opgegroeid, wij niet.

De orkesten van Basie en Ellington hadden een concertboek en een dansboek. In de tijd van de jitterbug kon je nog op jazz dansen; de dans paste precies bij de muziek. Toen de bebop kwam was jazz geen dansmuziek meer, het was luistermuziek geworden.

Ritmisch spelen moet al in jezelf aanwezig zijn. Je kunt dansen of niet. Aan Herbie Hancock vroegen ze eens les te geven over ritme. Na een uur zei hij: See you tonight in the disco!

VLEUGEL

“Flugelhorn is anders dan trompet, een ander soort embouchure. Het is losser. Het mondstuk is ook dieper. De flugelhorns spelen altijd aan de buitenkant van het muziekcorps. Ook bij de jacht. Net als de vleugelspelers bij voetbal.

Flügelhorn is de Duitse naam. Adolphe Sax noemde het Klappentrompete. Een overgangsinstrument met kleppen, net als een saxofoon.”

LUISTEREN

“Het hoge geluidsvolume heeft voor mij veel interesse weggenomen van muziek, ook van goede spelers.

The Beatles speelden in voetbalstadions. De zalen werden groter, de speakers werden groter. Ook al zijn de zalen nu soms klein, de speakers zijn nog steeds groot. Sommige musici spelen met een koptelefoon op. Dat kan toch eigenlijk niet. Het is gewóón geworden.

Het oog is sterker dan het oor. Dat is het grote succes van televisie. Het oor loopt er achteraan. Het oog kan meer en sneller waarnemen.

Luisteren is één van de belangrijkste dingen. Wat hoor je van de ander terwijl je speelt? Als je goed luistert, merk je dat je dingen kunt weglaten.”

ack van rooyen foto (c) melanie caitlin 2 blog tom beek
Foto © Melanie Caitlin

VERHAAL

“De liedjes die ik uit mijn hoofd heb geleerd, zijn altijd gebleven. De imprinten zijn diep. Ik speel ook het beste op stukken die ik van binnen en buiten ken. En waarvan ik de tekst ken. Ruud Brink zei ooit: “Niemand luistert naar de tekst”. Zong-ie: “Just friends, Fisherman’s’ friends”.

Ik speel graag standards. Het mooie is, dat er altijd vraag en antwoord in zit. Er zit een conversatie in. Dat mis ik veel in nieuwe muziek. Je hoort alleen maar vragen. Goede spelers vertellen een verhaal. Tension and release. Hey man, tell us a story.

Op flugelhorn kun je ook niet zo hard spelen. Ik speel graag in duo’s. Drummers pakken natuurlijk graag uit. Dat is niet zo gek, met al dat metaal en die stokken. Ze doen brushes er maar een beetje bij. Weinig drummers passen zich aan aan het volume. Mel Lewis, die kon heel zacht spelen. En intens!

Je moet blijkbaar lang spelen om te beseffen wat zacht en langzaam is. Dat je niet speelt om iets te bewijzen.

Muziek, daar kun je zo weinig over zeggen. Het is een gevoelskwestie. Het betekent voor iedereen iets anders.”


Tom Beek is saxofonist, tekstschrijver, WordPress expert en consultant. Je vindt hem op Twitter en Instagram. Gek van jazz, fotografie , films en SEO. Ruikt aan boeken.

2 reacties op “Ack van Rooyen: "Tell us a story"”

  1. Mooi interview Tom!
    Zoveel ervaring en wijsheid en dat hoor je terug in zijn spel.
    Zou het niet fantastisch zijn als deze man een boek zou schrijven?

    Beantwoorden

Plaats een reactie